Huid en haar
Zoogdieren zijn de enige dieren met een met haar bedekte lichaam. Het
kan in verschillende vormen voorkomen.
De meeste zoogdieren hebben een vacht, wat bestaat uit een isolerende
ondervacht en een beschermende bovenvacht, bestaand uit dekharen. De
mens heeft in de loop van de tijd veel lichaamshaar verloren. De rol
van de haren is een warmtevasthoudende werking, of het imponeren van
andere dieren (zoals de manen van een leeuw) of camouflage. Sommige
zoogdieren zijn onbehaard, hebben stekels of schubben.
De huid bestaat uit 2 lagen. De eerste laag, de opperhuid, bestaat uit
dode cellen (epitheelcellen). De tweede laag, de lederhuid, bevat
bloedvaatjes, klieren (talg-, geur-, zweet- en melkklieren), en
zenuwcellen. Enkele klieren zijn typerend voor de zoogdieren, zoals
melkklieren, zweetklieren en geurklieren. |
 |
 |
Schedel en gebit
Het middenoor bevat drie gehoorbeentjes: hamer, aambeeld en
stijgbeugel. De jukboog is zo gevormd dat er ruimte is voor de
kaakspieren. De onderkaak is direct met de schedel verbonden door een
kaakgewricht. Iedere helft van de onderkaak bestaat uit
één bot. De overige gewervelde dieren hebben
één botje in het middenoor, minstens drie botten aan
iedere kant van de onderkaak en is de onderkaak niet direct verbonden
met de schedel. Er zijn wel een aantal groepen reptielen bij wie de
botten in oor en onderkaak zoogdierachtig zijn. De bekendste van deze
groepen zijn de uitgestorven cynodonten, waarvan vermoed wordt dat het
de voorouders van de zoogdieren zijn.
Het gebit van de zoogdieren is heterodont. Dat wil zeggen dat de tanden
uit hetzelfde gebit verschillen van elkaar, en gespecialiseerd zijn in
verschillende functies. Dieren die een homodont gebit hebben, hebben
gelijkvormige tanden. De reptielen zijn hier een voorbeeld van.
De tanden hebben de vorm aangenomen die bij de functie past.
Carnivoren hebben scherpe hoektanden en zogenaamde knipkiezen. Deze
kiezen worden gebruikt om het vlees als het ware te knippen.
Herbivoren hebben kiezen met plooien. Hiermee kunnen ze gras en andere
planten makkelijk vermalen.
Omnivoren hebben knobbelige kiezen, om het voedsel goed te kunnen
vermalen, en redelijk scherpe hoektanden.
|
 |
Ledematen
De ledematen van de zoogdieren kunnen per dier sterk verschillen. Bij
sommigen, zoals de waterzoogdieren als de dolfijn en walvis, zijn de
achterpoten geheel verdwenen. Bij anderen, zoals de kangoeroe, zijn de
achterpoten juist sterk ontwikkeld, en zijn de voorpoten in grootte
afgenomen.
|
 |
 |
Hals
In
het algemeen hebben zoogdieren zeven halswervels. Ook walvisachtigen
hebben zeven wervels, alleen zijn deze bij hun sterk ineengedrukt. De
giraffen hebben er ook zeven, alleen zijn deze lang. Alleen de luiaards
hebben er zes tot negen. |
Gehoor
Het uitwendig gehoororgaan komt alleen bij zoogdieren voor, namelijk de
oorschelp. Bij waterzoogdieren is de oorschelp niet zichtbaar. Maar bij
bepaalde dieren, zoals de olifant, is het heel sterk ontwikkeld. Dit
heeft onder andere te maken met het regelen van het
lichaamstemperatuur.
|
Lichaamstemperatuur
Zoogdieren zijn warmbloedig. Dat betekent dat de lichaamstemperatuur
wordt geregeld door interne factoren en daardoor op een constante
temperatuur kan worden gehouden en onafhankelijk is van de
buitentemperatuur. De lichaamstemperatuur wordt geregeld door de
hypothalamus. Dat is een klein gebied in de hersenen. De
lichaamstemperatuur kan constant gehouden worden door:
• Verhogen of verlagen van de stofwisseling
• Verwijding of vernauwing van de bloedvaten
(het bloed transporteert ook warmte)
• Het opzetten of platzetten van haartjes
• Rillen om warm te krijgen, of zweten/hijgen om
af te koelen (door het rillen bewegen de spieren, wat voor warmte
zorgt, en door zweten/hijgen verliest het dier warmte door middel van
verdaming).
De lichaamstemperatuur kan ook geregeld worden op andere manieren. Als
ze het koud hebben, kruipen sommige soorten bij elkaar, hurken ineen of
baden in de zon. Als ze het warm hebben, zoeken ze de schaduw of
schuilen in hun hol.
Door warmbloedigheid kunnen zoogdieren overleven op plekken waar het
koud is, zoals de poolgebieden. Reptielen echter zouden dit niet
overleven. Vandaar dat er alleen zoogdieren op de poolgebieden leven.
Warmbloedigheid kost energie. Daarom moeten kleinere zoogdieren genoeg
eten om aan genoeg energie te komen. Sommige soorten offeren hun
warmbloedigheid tijdelijk op. De lichaamstemperatuur daalt dan,
bijvoorbeeld tijdens een winterslaap. |
|