Geleedpotigen            

   Dieren, wier lichaam verdeeld is in segmenten, die gelede aanhangsels dragen, noemen we geleedpotige dieren. Door de vergelijkende vorm en ontwikkeling wordt bewezen, dat
   al deze homoloog(hetzelfde bouwplan, verschillende functie)
zijn.  De kaken en aanhangsels zijn veranderende ledematen. Geleedpotigen komen voor in zee, zoetwater en op
   het 
land. De geleedpotigen vormen de meest soortenrijke afdeling van het dierenrijk. Er zijn al meer dan een miljoen soorten geleedpotigen beschreven. En elk jaar komen daar
   nog tientallen soorten    bij. Van de geleedpotigen 
telt de klasse van de insecten de meeste soorten. Ongeveer driekwart van alle ontdekte diersoorten behoort tot de insecten.                                             
   Afdelingen

   Tot de afdeling van geleedpotigen behoren onder andere de klassen van de duizendpoten(afb.1), de kreeftachtigen of schaaldieren(afb.2), de spinachtigen(afb.3) en de
   insecten(afb.4). Klik op de afbeeldingen voor de bijbehorende informatie.


   Segmenten
   De segmenten bij de geleedpotigen zijn niet alle aan elkaar gelijk, zodat een kop, borststuk en achterlijf onderscheiden kunnen worden. Elk segment draagt in principe een paar
   gelede aanhangsels, waarvan de leden door middel van gewrichten ten opzichte van elkaar kunnen 
bewegen. De aanhangsels van de kopsegmenten dienen gewoonlijk voor de
   voedselvoorziening, die van het borststuk voor de voortbeweging  terwijl de 
aanhangsels van het achterlijf verschillende functies kunnen hebben of ontbreken. Bij de lagere
   schaaldieren en de duizendpootachtigen  is het niet 
mogelijk een scheiding te maken tussen borststuk en achterlijf, terwijl bij de spinachtigen en bij sommige andere schaaldieren
   kop en 
borststuk één geheel vormen.

   Het exoskelet en groei
   Geleedpotigen hebben een uitwendig skelet, of schild, dat de buitenkant van het lichaam bedekt. Het zorgt voor bescherming tegen roofdieren en stevigheid bij het lopen. De
   opperhuidcellen vorme
n een zeer stevige cuticula, waarin allerlei stoffen zijn afgezet (o.a. chitine) en die vaak ondoorlatend is voor water, zodat landleven mogelijk is. De cuticula
   doet ook dienst als uitwendig skelet, dat de vorming van stevige
poten, vleugels (insecten) en stevige monddelen mogelijk maakt. De groei wordt door het uitwendig skelet
   beperkt, zodat een periodieke vervelling 
noodzakelijk is; gedurende dit proces zijn de dieren kwetsbaar. Bij een vervelling wordt de oude cuticula afgestroopt; de nieuwe is
   aanvankelijk 
zacht en laat beperkte groei toe.

   Beweging
   Voor de beweging is het noodzakelijk, dat er skeletdelen zijn die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Zo is elk segment opgebouwd uit een aantal skeletplaten en zijn er
   buigzame membranen tussen de segmenten. De beweging gebeurt, evenals bij de gewervelde dieren,  door  
samenwerking van skelet en spieren.                                                                                                                                                                                
   Ademhaling, bloedsomloop en zintuigen
   De ademhaling gebeurt door kieuwen (schaaldieren), door tracheeën (insecten&duizendpoten), of door boeklongen en tracheeën (spinachtigen). Het bloedvatenstelsel is open;
   een aan de rugkant gelegen hart pompt het bloed door het lichaam. Via spleten komt het  bloed in het hart terug. 
De aanhangsels aan de kop bezitten reuk- en tastfuncties.
   Eveneens bevinden zich op de kop facetogen en ocellen.    
koppeling.duizendpoten.jpg koppeling.kreeftachtigen.jpg koppeling.spinachtigen.jpg koppeling.insecten.jpg
afb.1 afb.2 afb.3 afb.4
 Terug naar Diersoorten